Hogeschool Gent Logo

Personalia - Najaar 2010

10 november 2010
FOUAD LAROUI auteur, islamkenner
'Islamisme: een humanisme ?'

Fouad Laroui

Fouad Laroui (Marokko, 1958) studeerde wiskunde, natuurkunde en bouwkunde in Parijs en heeft een doctoraat in de econometrie. Hij doceert momenteel Franse literatuur aan de Universiteit van Amsterdam.
Fouad Laroui is de auteur van zes romans, van wie de laatste (Une année chez les Français) op de short list van de Prix Goncourt 2010 stond. Hij publiceerde ook twee poëziebundels in het Nederlands. In 2006 verscheen van hem een essaybundel over het islamisme die veel deining veroorzaakte: De l 'islamisme, Paris; in het Nederlands verschenen bij De Geus onder de titel: Over het islamisme. Een persoonlijke weerlegging.


23 november 2010 ---> uitzonderlijk op dinsdag !!
TOM NAEGELS auteur
'Communities'

Tom Naegels

Sinds het verschijnen van zijn verfilmde roman Los staat schrijver, journalist en columnist Tom Naegels (1975) bekend als de chroniqueur van het hedendaagse, stedelijke België. Tom Naegels is ook al jaren de veelgelezen commentator van de waan-van-de-dag, in zijn zaterdagse column in De Standaard. Daarnaast is hij ook gewoon journalist voor die krant.

Als opinieschrijver merkt Tom Naegels dat de debatten die hem interesseren en waar hij geregeld aan deelneemt, een aantal eigenschappen gemeen hebben. Ten eerste: het zijn "culturele" debatten, discussies over onze maatschappij, hoe die verandert en hoe we die verandering eventueel kunnen sturen. Dat geldt uiteraard voor het debat over de multiculturele samenleving, maar ook voor dat over "zinloos geweld", de verharding van de samenleving, en de effecten daarvan op onze kinderen: worden ze almaar vroeger almaar gewelddadiger? En ten slotte geldt het zeker ook voor het debat over de rol en de relevantie van de kunstenaar: moeten kunstenaars zich uitspreken tegen het nationalisme? Moeten ze concerten organiseren voor verdraagzaamheid? Begrijpen ze eigenlijk wel iets van de fenomenen waar ze zich over uitspreken? Kan het iemand iets schelen waar ze hun petities over schrijven? Of zijn ze alleen relevant als ze iets contra-intuïtief doen: als ze zich bijvoorbeeld vòòr nationalisme uitspreken?
Wat deze debatten ook gemeen hebben (dat is dan "ten tweede") is dat ze heel vaak opnieuw gevoerd worden, haast als in een loop, zonder dat er ooit een uitkomst is, en dat er ieder jaar wel iemand opstaat die roept "Wat ik te zeggen heb, dat heeft nu eens nog nooit iemand gezegd, sterker, het wordt me belét dat te zeggen, ik màg het niet zeggen want het is afschuwelijk taboedoorbrekend! Aaaah, ik word monddood gemaakt!!!" Terwijl er in de voorgaande jaren tien-tal-len anderen geweest zijn die identiek hetzelfde geroepen hebben, en allemaal in hetzelfde heilige geloof dat zij dapper waren en taboedoorbrekend, en dat ze daarom door een stalinistische elite werden gemuilkorfd.
En ten derde: het zijn zeer emotionele, gepolariseerde debatten, die sterk samenhangen met de identiteit van de deelnemers, wat ervoor zorgt dat er veel persoonlijke motieven gaan meespelen, deelnemers geërgerd gaan raken, en er heel veel misverstanden ontstaan.
Het is over dat laatste dat Tom Naegels zal spreken: het misverstand als moeder van het meningsverschil. Niet het accidentele misverstand uiteraard, maar het systematische: het misverstand dat ervoor zorgt dat je kan debatteren tot je een ons weegt, volgend jaar staat er weer iemand op die heel het debat van vooraf aan gaat voeren. Omdat ergens tussen jouw mond en zijn oren, je woorden tot gruis zijn verworden.
Tom Naegels gaat op zoek naar de wortels van dat misverstand. Hij heeft het over de erfenis van '68, de Gravensteengroep, Facebook, de islam, Yves Leterme, onze pers en de onduidelijkheid over wie nu eigenlijk de oppermachtige elite is, tegen wie dit land van underdogs zich kan verzetten. En hij stelt de vraag die hem al langer kwelt: heeft het, in deze omstandigheden, eigenlijk wel zin om aan om het even welk debat deel te nemen?


1 december 2010
MARC REUGEBRINK auteur, winnaar Gouden Uil 2008
"En toch… Over nut en noodzakelijkheid van literatuur voor de mensheid"

Marc Reugebrink

De positie van de literaire auteur is er de laatste decennia niet echt beter op geworden. Hij bevindt zich in een omgeving die enkel en alleen door economische factoren gedefinieerd lijkt te worden. Het discours over literatuur in de openbare ruimte lijkt een stille dood gestorven, wat elke discussie over kwaliteit, betekenis (maatschappelijk en anderszins), over ideologische implicaties en wat dies meer zij tot iets futiels maakt. Ook in het voortgezet onderwijs is literatuur stilaan op de terugtocht, op last van de onderwijsinspectie zelf, zo blijkt.
Wat gaat daarmee eigenlijk verloren? Literatuur heeft in de afgelopen anderhalve eeuw weinig anders gedaan dan tonen hoe onwerkelijk onze werkelijkheid wel niet was en hoe weinig de mens paste binnen de meer algemene definities die er over hem bestonden. Als literatuur het belangrijkste medium was voor het humanistisch gedachtegoed, zoals algemeen wordt beweerd, dan heeft ze hoogstens aangetoond hoezeer dat gedachtegoed zelf failliet was.
Daarmee lijkt de rekening wel gemaakt — van de literatuur, van het humanisme. Wat rest is postliteratuur, posthumanisme en de zegeningen van de vrije markt.
En toch…
Marc Reugebrink is een auteur die zich van meet af aan heeft verzet tegen zowel de destructiepoëtica's van de moderne literatuur als tegen het alomtegenwoordige consumentisme. Met een hardnekkigheid die misschien even dwaas als heroïsch is zoekt hij in deze lezing nogmaals naar een waarde van literatuur die verder gaat dan de amusementswaarde die vandaag de dag alleen nog overgebleven is. Het wordt een lezing tussen scheldcannonade en smeekbede in, met onder andere uitstapjes naar de personalistische literatuuropvatting van half vergeten auteurs als Ter Braak en Du Perron en naar het engagementsdebat dat in de literatuur al sinds de romantiek wordt gevoerd.

Marc Reugebrink (1960) debuteerde als dichter in 1988 met Komgrond, een bundel die werd bekroond met de Lucy B. en C. W. Van der Hoogtprijs. Daarna verschenen nog een dicht-, een essaybundel en vier romans. Zijn derde roman, Het grote uitstel, werd bekroond met De Gouden Uil 2008. Reugebrink zat in diverse redacties van literaire tijdschriften, waaronder De Gids in Nederland en yang in België. Hij was werkzaam als recensent voor o.m. De Volkskrant, De Groene Amsterdammer en De Morgen. Recentelijk verscheen de roman Menens.

Extra info:
Blog van Marc Reugebrink


8 december 2010
DIRK DE MEYER, architect, Universiteit Gent
'Architectuur en mensbeeld'

Dirk De Meyer

De teksten van de Renaissance, die in de Westerse architectuur de regels vastleggen voor de volgende eeuwen, ontwikkelden een logocentrisch en christelijk-antropocentrisch discours dat het lichaam — en in het bijzonder het mannelijke lichaam — aan de basis legde van (onbewuste) architecturale regels en configuraties.

De lezing start met het situeren van deze traditie en toont op welke wijze de menselijke gestalte schuilt in de gebouwen en hoe zijn (en haar) proporties alle onderdelen ervan bepalen. In de zestiende eeuw breekt het lichaam als het ware naar buiten — soms in buitenissige, maniëristische aberraties. Er ontstaan bovendien fascinerende uitwisselingen tussen de representatie van de mens en die van het gebouw.

Met de start van de moderniteit worden, vanaf de late zeventiende eeuw, deze klassieke harmonieën uitgedaagd en treden er verschuivingen op in de verhoudingen tussen het menselijke lichaam en de architectuur. In het proces van verweven van moderniteit, gezondheid, controle en hygiëne worden mens en gebouw onderworpen aan nieuwe, inter-agerende regimes.

De lezing besluit met een bespiegeling over de mogelijkheid van een antropomorfe architectuur in een tijdperk waarin de relatie tussen mens en gebouw vooral met de term 'gebruiker' aangeduid wordt.

Dirk De Meyer is sinds 1990 professor aan de Vakgroep Architectuur en Stedenbouw van de Universiteit Gent. Hij was van 2003 tot 2005 Chief Curator van het Canadian Centre for Architecture in Montréal, een internationaal onderzoekscentrum en een van 's werelds belangrijkste architectuurcollecties. Eerder was hij daar Visiting Scholar en Associate Scholar. Hij is medeoprichter van de interdisciplinaire onderzoeksgroep GUST (Ghent Urban Studies Team), en hij was directeur van het IRHA, het Institut de Recherche en Histoire de l'Architecture, een interuniversitair onderzoekscentrum in Montréal.

Hij studeerde burgerlijk ingenieur architect aan de Universiteit Gent en architectuurgeschiedenis aan het Istituto Universitario di Venezia. Hij behaalde een doctoraat aan de Technische Universiteit Eindhoven.

Hij gaf lezingen aan universiteiten in Europa, Noord-Amerika en Japan. Hij publiceert voornamelijk over architectuur in de achttiende en de twintigste eeuw, in haar relatie tot cultuur, wetenschappen en politiek, en over de impact van haar historiografie op maatschappelijke en politeke veranderingen in de twintigste eeuw. Hij was curator van tentoonstellingen, onder meer in het Praagse Kasteel (Hradcany) en in het Museum voor Schone Kunsten, Gent.

© 2008 foto: Arnout Fonck


15 december 2010
GERTRUDIS VAN DE VIJVER filosoof, Universiteit Gent
'Het mensbeeld in de filosofie'

Gertrudis Van de Vijver is als filosofe verbonden aan de Vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap van de Universiteit Gent. Zij is er het hoofd van het Centrum voor Kritische Filosofie, waar onderzoek wordt verricht in de transcendentale filosofie, zowel vanuit historisch als wetenschapsfilosofische hoek. Haar onderzoek is gecentreerd rond complexe dynamische systemen, zelf-organisatie en complexiteit, gearticuleerd m.b.t. levende en psychische systemen. Haar aandacht gaat meer en meer uit naar het thema van de objectiviteit, dat ze bestudeert vanuit Kant, Husserl en de psychoanalyse.

De stelling die Professor Van de Vijver zal ontwikkelen is dat we ons in de loop der eeuwen van de gedachte dat de mens de maat is van alle dingen, hebben toegewerkt naar een steeds verdergaande ongerustheid naar wat de grond van de maat zelf is, naar wat de maat van de maat is, en dus, naar wat de mens is of kan zijn te midden van andere bewegende en eventueel denkende dingen. Dat die ongerustheid zich op een specifieke manier heeft gearticuleerd sinds de moderniteit, is wat aan de orde zal zijn.

"Er zijn drie denksporen die ik zal volgen. Het eerste betreft de gedachte dat met de moderniteit, en pas vanaf dan, een bepaalde visie op het subject ingang heeft gevonden en dat deze visie intrinsiek te maken heeft met de wetenschappelijke middelen of procedures van objectivering die zich vanaf dat moment begonnen te doen gelden. Het tweede denkspoor vertrekt van een uitspraak van de psychoanalyticus Jacques Lacan, die stelt dat het subject van de psychoanalyse slechts mogelijk is vanuit het subject van de wetenschap. Het derde denkspoor gaat uit van een klein, maar formidabel interessant en leesbaar boekje van Giorgio Agamben, "Infancy and History", en trekt het spoor van de moderniteit en de postmoderniteit door vanuit de gedachte dat het de ervaring is die met de wetenschap teloor is gegaan. Dat deze drie denksporen met elkaar te verknopen zijn, is wat ik wil tonen. Als er tijd genoeg is, zal ik dit alles illustreren aan de hand van wat ondertussen "de kleine filosofie van de loopse teef" is gaan heten. Deze toont immers goed de koppige vasthechting aan het object aan, de inspanning die nodig is om zich daarvan te bevrijden en de subjectieve bibbering die daarmee gepaard gaat, evenals de haast om in een ander object, zogenaamd van een hogere orde, de hele zaak van verslaving aan het object en subjectieve vertwijfeling van bij het begin opnieuw te lanceren."

Na de lezing zal Mark De Kesel een nagesprek houden over de lezing.
Marc De Kesel (PhD filosofie) is verbonden aan de Arteveldehogeschool Gent
en de Faculteit der Religiewetenschappen van Radboud Universiteit Nijmegen
(meer info). Vanuit zijn interesse voor
continentale filosofie, publiceert hij over ethiek, kunst- en cultuurkritiek, politieke filosofie, religietheorie en de receptie van de Shoah. Recentelijk verscheen van hem: Goden breken – Essays over monotheïsme (Amsterdam: Boom, 2010).

Voor meer informatie, zie www.criticalphilosophy.ugent.be

Voorjaar 2011

9 februari 2011 (afgelast)
JEAN-PAUL VAN BENDEGHEM Wetenschapsfilosoof, Universiteit Gent
Wetenschappen voor de mens?'


16 februari 2011
JOS GEYSELS Minister van Staat
'Ecologie en humanisme'

Jos Geysels

Jos Geysels (1952), was parlementslid en voorzitter van Agalev. Sinds zijn afscheid van de actieve politiek in 2004 is hij voorzitter van 11 11 11 ,van het Fonds van de Letteren en van 'Decenniumdoelen 2017', een plaform van armoedeorganisaties en arbeidersbewegingen.


23 februari 2011
PATRICK PRIMAVESI Theaterwetenschapper, Universität Leipzig
Goethe Universität Frankfurt
Conceptions of man in (post)modern theater
'Theater en mensbeeld'

Patrick Primavesi

Conceptions of man in (post)modern theater
In all cultures and ages of mankind, theatre or theatrical activities have been a suitable framework for new conceptions of man and also for conceptions of a "new man", which means: for men (and women) of the future, able to live in a new world, ready for things to come in changing circumstances. The utopian and also dystopian potential of this idea, including all the hopes and fears about a radical transformation, particularly in modern times has played an important role in theatre, dance and performance art. The lecture will outline this context and focus on some examples of contemporary theatrical practice and their particular contribution to this existential topic.

Prof. Dr. Patrick Primavesi teaches Theatre Studies at the University of Leipzig and is director of the Dance Archive Leipzig. He wrote his PhD on Walter Benjamin's theories about translation and theatre. He also worked as a dramaturg and established a master-program in dramaturgy (together with Hans-Thies Lehmann) at the University of Frankfurt/Main. He published widely on contemporary theatre, dance and performance art, on voice, gesture and rhythm, on interrelations between theatre, film and new media. Current research projects connect politics of representation and the public sphere with the development of theatre, dance and performance art as cultural practice.


2 maart 2011
PAUL VERHAEGHE Psychoanalyticus, Universiteit Gent
'Psychoanalyse versus medicalisering van de mens'

Jos Geysels

De ontmenselijking van de psychologie.
Paul Verhaeghe

Dat onze maatschappij ingrijpend veranderd is, weet iedereen. Wat de effecten daarvan zijn, is minder duidelijk. Het wordt al helemaal moeilijk als we de vraag stellen naar de effecten op ons werk. Ten einde daarover te kunnen nadenken, kies ik voor de volgende invalshoek. De maatschappij levert de vormgeving voor onze identiteit en biedt een collectieve bescherming tegen angst. Maatschappelijke wijzigingen zullen bijgevolg een effect hebben op die vormgeving en die bescherming. De vraag is welke.
Voor mijn antwoorden ga ik te rade bij Freud en Lacan, die ervan uitgaan dat er in de mens steevast een interne botsing aan het werk is tussen verbod en verlangen, botsing die extern vorm krijgt waardoor er een spanningsveld ontstaat tussen burger en maatschappij. Op zijn beurt heeft deze externe vormgeving duidelijke effecten op de identiteitsvorming en de bijbehorende stoornissen. De laatste eeuw kunnen we drie dergelijke vormgevingen onderscheiden. De eerste betreft de Victoriaanse maatschappij, de tweede deze van post mei '68, de derde het Enron model, waarvan de imperatieven met enige ironie respectievelijk het juiste orgasme, de verplichte vrije liefde en het genot op afbetaling zijn. Elk model sluit aan bij een ruimere ethiek en bevat een daarop gebaseerde specifieke verhouding tussen rechten en plichten en meteen ook daarbij aansluitende stoornissen.
Het meest recente model wijkt af van de vorige, omdat er nog nauwelijks sprake is van een overkoepelende ethiek. In de plaats daarvan krijgen we een morele fictie opgedrongen, in het bijzonder deze van de effectiviteit. Het gevolg daarvan op het vlak identiteit en angst is desastreus. De voornaamste overblijvende plicht is 'het te maken' in combinatie met een evenzeer verplicht genieten, terwijl de rechten gereduceerd zijn tot te betalen producten, bij voorkeur op afbetaling. De hierbij aansluitende effecten op het vlak van identiteitsvorming en interpersoonlijke verhoudingen vormen de basis voor een stijging van de sociale angst en voor een verschuiving van de stoornissen op het vlak van de identiteit. Vanuit een ethisch perspectief dienen wij daar krachtig stelling tegen in te nemen.

Paul Verhaeghe
Is gewoon hoogleraar aan de universiteit Gent, faculteit psychologie; doceert Klinische Psychodiagnostiek, Psychoanalytische therapie en Gender Studies. Publiceerde vier boeken, met als laatste "Het einde van de psychotherapie" en nogal wat artikels (zie psychoanalysis). Is nu vooral bezig met het verband tussen maatschappelijke veranderingen en psychische stoornissen.


9 maart 2011
PETER VENMANS filosoof, auteur
'Hannah Arendts humanisme'

Peter Venmans, essayist, Leuven
Welke mens is de maat van alle dingen? Over thymos.

Wij moderne pragmatici zijn geneigd Protagoras gelijk te geven: de mens is de maat van alle dingen. De wereld is wat we ervan maken. Waar is, wat ons gelukkig maakt. Whatever works. Natuurlijk stoten we voortdurend op allerlei problemen die ons beletten om te leven zoals het eigenlijk zouden willen, maar de eerste reflex van de pragmaticus is dan die problemen op te lossen. Daarvoor hebben we de techniek uitgevonden. Om ziekten te genezen is er de moderne westerse geneeskunde, gestoeld op wetenschappelijke basis. Onze behoeften kunnen we bevredigen dankzij de economie en haar handlanger de marketing. Alles gaat dus goed. We weten ook wel dat niet alle problemen oplosbaar zijn (aan het eind wacht ons onvermijdelijk de dood), we weten ook dat veel van onze zogenaamde 'oplossingen' het probleem alleen maar vergroten, maar we doen zolang mogelijk alsof we dat allemaal niet weten. We willen in elk geval alles geprobeerd hebben om de obstakels op te ruimen die ons geluk in de weg staan. Slechts als het echt niet anders kan, leggen we ons neer bij het onvermijdelijke en proberen we comfortzones in te richten: plaatsen waar het leven nog draaglijk is, waar we het goed kunnen uithouden.
Dit pragmatisme heeft iets aantrekkelijks: het is gericht op de toekomst, optimistisch, bereid tot actie, het blijft niet bij de pakken neerzitten. Het pragmatisme appelleert op zijn best ook aan een sterk moreel besef: we hebben verantwoordelijkheid voor de wereld, we moeten het hier voor iedereen zo goed mogelijk maken. Doel is de verspreiding van het geluk voor zoveel mogelijk mensen. Het pragmatisme vervoegt hier het utilitarisme. Tegelijk echter hebben pragmatici iets oppervlakkigs, iets eendimensionaals Ze lijken immuun voor het tragische en gaan er wel erg snel van uit dat handelen in elk geval beter is dan nietsdoen. Het pragmatische mensbeeld is bovendien wel erg simplistisch.
Pragmatici zien mensen als rationele behoeftewezens: wij hebben allerlei behoeften die met ons lichaam te maken hebben (honger, dorst…) maar die 'problemen' kunnen 'opgelost' worden door middel van ons verstand (met een duidelijke voorkeur voor technische oplossingen). Dit dualistische mensbeeld (lichaam en rede, 'body' en 'mind') kan niet kloppen, het is op zijn minst onvolledig. Bij Plato, die nochtans altijd aangewezen wordt als de hoofdschuldige van het westerse dualisme, zijn sporen terug te vinden van een meer gecompliceerde, driedelige visie op de mens. In zijn misschien wel bekendste dialoog Politeia onderscheidt hij drie delen in de ziel: naast de soevereine rede die hij bewondert en de behoefte waarover hij heel minachtend doet, vermeldt hij ook nog een deel dat hij 'thymos' noemt (met een woord dat van Homerus afkomstig is: 'thymos' is de eigenschap van moedige krijgers zoals Achilles. De 'thymoeidès' is diegene met het vurige temperament.) Na Plato is dit begrip verloren gegaan; men heeft de eenvoudiger, dualistische visie op de mens verkozen. Maar 'thymos' kan ons nog altijd helpen om onszelf – en onze tijd – beter te begrijpen. Dat is het uitgangspunt van deze lezing.
Thymos staat voor onze aangeboren zucht naar erkenning, het diepe verlangen om in een eerlijke strijd anderen en onszelf te overwinnen, de woede om aangedaan onrecht, het besef van ernst, het eergevoel, de grinta van de sportman, kortom, alles wat ons belet te berusten in een comfortabel leven. Nietzsche beschreef ons als 'laatste mensen': als mensen die het geluk gevonden hebben, maar dan wel een bijzonder schrale vorm van geluk, een geluk dat samenvalt met een goede gezondheid en welbevinden, met behaaglijkheid, een geluk zonder thymos en dus zonder waardigheid. Maar wat moeten we daarvan vinden? Zijn wij laatste mensen? Welk soort mens is de maat van alle dingen? En welk soort mens zouden we moeten willen zijn? Hoe kunnen wij het aantrekkelijke maar tegelijk ook zo gevaarlijke idee van thymos een plaats geven?

Peter Venmans (° Oostende, 1963) is van opleiding hispanist en filosoof. Hij woont en werkt in Leuven. De afgelopen jaren schreef hij de bekroonde essays De ontdekking van de wereld. Over Hannah Arendt (2005, Provincieprijs Vlaams-Brabant) en Over de zin van nut (2008, Liberales-boek van dat jaar). In augustus 2011 verschijnt zijn nieuwe boek, getiteld Het derde deel van de ziel. Over thymos (uitgeverij Atlas).

Het derde deel van de ziel is een filosofisch essay over een verloren gewaande, fascinerende maar uiterst gevaarlijke eigenschap. En hoe daarmee om te gaan.